Pijler flexibiliteit

De centrale vraag bij de pijler flexibiliteit is in hoeverre het mogelijk is om bij ‘slecht weer’ snel de lasten te verlagen of de baten te verhogen om financiële tegenvallers op te vangen. De financiële kengetallen voor de pijler flexibiliteit zijn ingedeeld naar drie categorieën:
A Saldo begroting
B Schuld
C Investeringen

A Saldo begroting
Saldo van baten en lasten

Conform het BBV zijn gemeenten verplicht om elk jaar een minimaal sluitende begroting vast te stellen.

Saldo van baten en lasten, in mln euro's

Rekening
2014

Rekening
2015

Begroting
2016

Rekening
2016

Baten excl. onttrekkingen aan reserves

3.054

3.294

3.312

3.366

Lasten excl. toevoegingen aan reserves

3.016

3.226

3.467

3.366

Onttrekkingen aan reserves

334

307

320

264

Toevoegingen aan reserves

262

236

165

174

Het gerealiseerde saldo is hoger dan begroot.

Structurele exploitatieruimte

Saldo van structurele baten en lasten
De structurele exploitatieruimte geeft inzicht in de mate waarin de structurele lasten, inclusief de structurele toevoegingen aan reserves, gedekt zijn door structurele baten, inclusief de structurele onttrekkingen aan reserves. De Provincie Zuid-Holland stelt als voorwaarde voor toepassing van repressief toezicht (toezicht achteraf) dat in het begrotingsjaar sprake is van structureel evenwicht. Het saldo wordt nominaal weergegeven én als percentage van de totale baten.

Structurele exploitatieruimte, in mln euro's

Rekening

Rekening

Begroting

Rekening

2014

2015

2016 *

2016

Totale structurele lasten excl. mutaties reserves

2.837

3.042

2.992

2.963

Totale structurele baten excl. mutaties reserves

2.989

3.148

3.087

3.173

Totale structurele toevoegingen aan reserves

143

25

25

30

Totale structurele onttrekkingen uit reserves

113

25

24

5

Saldo

122

106

94

185

Totale baten excl. onttrekkingen reserves

3.054

3.294

3.312

3.366

Structurele exploitatieruimte

3,99%

3,21%

2,91%

5,51%

* Betreft de stand bij Programmabegroting 2016

Het structurele begrotingssaldo is hoger dan begroot. Dit komt voornamelijk doordat de structurele baten hoger zijn dan begroot. De structurele exploitatieruimte is daarmee ook hoger uitgevallen dan voorzien.

Belastingcapaciteit

De belastingcapaciteit geeft inzicht in de verhouding van de lokale lastendruk in de gemeente ten opzichte van het landelijk gemiddelde. De belastingcapaciteit wordt berekend door de totale woonlasten voor een meerpersoonshuishouden van de gemeente te vergelijken met het landelijk gemiddelde in een bepaald jaar. De Provincie Zuid-Holland beschouwt een belastingcapaciteit hoger dan 105% als risicovol.

Belastingcapaciteit, in euro's

Rekening
2014

Rekening
2015

Begroting
2016

Rekening
2016

OZB-lasten voor gezin bij gemiddelde WOZ-waarde

189

191

191

191

Rioolheffing voor gezin bij gemiddelde WOZ-waarde

177

179

184

184

Afvalstoffenheffing voor een gezin

373

360

347

347

Eventuele heffingskorting

0

0

0

0

Totale woonlasten voor gezin bij gemiddelde WOZ-waarde

738

729

722

722

Woonlasten landelijk gemiddelde voor gezin in t-1

697

704

716

723

De lokale lastendruk voor een meerpersoonshuishouden was in 2016 in lijn met de gemiddelde lastendruk in Nederland. Daarmee is het kengetal belastingcapaciteit conform de beleidsuitgangspunten van het college verder gedaald.

B Schuld
Netto schuldquote

De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen. De netto schuldquote geeft een indicatie van de druk van de rentelasten op de exploitatie. De Provincie Zuid-Holland beschouwt een netto schuldquote hoger dan 130% als risicovol.

Netto schuld, in mln euro's, balansstanden per ultimo

Rekening
2014

Rekening
2015

Begroting
2016 *

Rekening
2016

Vaste schulden

2.043

2.069

2.368

2.069

Netto vlottende schuld

589

546

385

520

Overlopende passiva

409

332

332

350

Financiële activa excl. verstrekte leningen en kapitaalverstrekking

-4

-3

-2

-2

Uitzettingen < 1 jaar

-352

-328

-328

-316

Liquide middelen

-60

-3

0

-2

Overlopende activa

-176

-188

-188

-211

Saldo

2.449

2.425

2.566

2.408

Totale baten (exclusief mutatie reserves)

3.054

3.294

3.312

3.366

Netto schuldquote (saldo / totale baten)

80,2%

73,6%

77,5%

71,5%

* Betreft de stand bij Tweede Herziening 2016

De netto schuldquote heeft zich beter ontwikkeld dan voorzien, laat een dalende tendens zien en ligt ruim onder de signaalwaarde van de Provincie Zuid-Holland.

Netto schuldquote gecorrigeerd voor verstrekte leningen

Soms leent de gemeente geleend geld door aan andere organisaties. Om inzicht te verkrijgen in hoeverre er sprake is van doorlenen, staat de netto schuldquote zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weergegeven. Op die manier is het duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen is en wat dit betekent voor de schuldenlast. De Provincie Zuid-Holland beschouwt een netto schuldquote gecorrigeerd voor leningen hoger dan 130% als risicovol.

Netto schuld gecorrigeerd voor leningen, in mln euro's
balansstanden per ultimo

Rekening
2014

Rekening
2015

Begroting
2016 *

Rekening
2016

Vaste schulden

2.043

2.069

2.368

2.069

Netto vlottende schuld

589

546

385

520

Overlopende passiva

409

332

332

350

Financiële activa excl. verstrekte leningen en kapitaalverstrekking

-919

-964

-903

-941

Uitzettingen < 1 jaar

-352

-328

-328

-316

Liquide middelen

-60

-3

0

-2

Overlopende activa

-176

-188

-188

-211

Saldo

1.534

1.464

1.665

1.469

Totale baten (exclusief mutatie reserves)

3.054

3.294

3.312

3.366

Netto schuldquote (saldo / totale baten)

50,2%

44,4%

50,3%

43,6%

* Betreft de stand bij Tweede Herziening 2016

De ontwikkeling van de netto schuldquote gecorrigeerd voor leningen is vergelijkbaar met de ontwikkeling van de netto schuldquote. Een aanzienlijk deel van de opgenomen gelden is doorgeleend aan woningcorporaties en deelnemingen. Dit bedrag neemt de komende jaren gestaag af.

Kasgeldlimiet

De gemeente kan haar activiteiten niet onbeperkt met kort geld financieren. In de Wet Fido (Financiering decentrale overheden) is de kasgeldlimiet opgenomen. De kasgeldlimiet stelt een maximum aan de netto kortlopende schuld die de gemeente mag hebben. Als de gemiddelde liquiditeitspositie van drie achtereenvolgende kwartalen de kasgeldlimiet overschrijdt, is de gemeente verplicht om de provincie daarover te informeren, met daarbij de presentatie van een plan om weer te voldoen aan de kasgeldlimiet. Het doel van de kasgeldlimiet is om het renterisico op de korte schuld te beperken. Dit voorkomt dat een onverwachte stijging van de korte rente het begrotingsevenwicht van de gemeenten in gevaar brengt. De kasgeldlimiet is gelijk aan 8,5% van het oorspronkelijke begrotingstotaal.

Toets kasgeldlimiet, in mln euro's

2014

2015

2016

2016 Q1

2016 Q2

2016 Q3

2016 Q4

Grondslag: omvang oorspronkelijke begroting

3.777

3.624

3.492

3.492

3.492

3.492

3.492

Kasgeldlimiet (8,5% van grondslag)

321

308

297

297

297

297

297

Gemiddelde korte schuld

338

272

292

464

280

185

241

Gemiddelde korte middelen

-7

-6

-5

-3

-8

-7

-3

Gemiddelde netto korte schuld

331

266

287

461

272

178

238

In % begroting

8,8%

7,3%

8,2%

13,2%

7,8%

5,1%

6,8%

Alleen in het eerste kwartaal is de kasgeldlimiet overschreden. De overige kwartalen is aan de kasgeldlimiet voldaan. Ook op jaarbasis is aan de kasgeldlimiet voldaan.

Renterisiconorm

Bij het aantrekken van langlopende geldleningen houdt Rotterdam rekening met toekomstige renterisico’s. Een renterisico doet zich voor wanneer de gemeente nieuwe leningen moet aantrekken of als er voor bestaande leningen een renteherziening aan de orde is. In beide gevallen kan de dan geldende rente afwijken van de in de begroting geraamde rente. De gemeente wil voorkomen dat er in een jaar een te grote concentratie plaatsvindt van aflossingen en renteherzieningen. In de Wet Fido is de renterisiconorm opgenomen. Doel van deze norm is het toekomstig renterisico op de lange financiering te beperken. Bij de toetsing aan deze norm moet een aantal jaren vooruit worden gekeken. Het renterisicobedrag is de som van de renteherzieningen en de aflossingen. Dit bedrag mag niet groter zijn dan 20% van het oorspronkelijke begrotingstotaal.

Toets renterisiconorm, in mln euro's

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Grondslag: omvang oorspronkelijke begroting

3.777

3.624

3.492

3.620

3.620

3.620

3.620

Renterisiconorm (20% van grondslag)

755

725

698

724

724

724

724

Renteherzieningen

50

50

50

58

53

12

8

Aflossingen

410

292

290

296

314

431

394

Renterisicobedrag

460

342

340

354

367

443

402

In % begroting

12,2%

9,5%

9,7%

9,8%

10,1%

12,2%

11,1%

Het renterisicobedrag op de langlopende schuld bleef in 2016 ruim onder de gestelde norm. Zoals uit de tabel blijkt, is het renterisico in de huidige leningenportefeuille goed gespreid en blijft er de komende jaren sprake van een aanzienlijke ruimte onder de renterisiconorm.

C Investeringen
EMU-saldo

Het effect van de meerjarige investeringen op het EMU-saldo (het vorderingensaldo) is belangrijk in het kader van de Wet Houdbare overheidsfinanciën (Wet Hof). Deze wet bepaalt dat de decentrale overheden een gemaximeerd aandeel mogen hebben in het toegestane EMU-tekort, uitgedrukt in procenten van het BBP (Bruto Binnenlands Product). Hiermee komt Nederland tegemoet aan de begrotingsregels van de Europese Unie. De wet bepaalt dat niet alleen het Rijk maar ook de decentrale overheden zich moet houden aan de strengere begrotingsregels. Het aandeel van de lagere overheden in de norm van 3% van het BBP is voor 2016 vastgesteld op 0,4% van het BBP. Dit aandeel is niet nader verdeeld over gemeenten, provincies en waterschappen. Daardoor zijn er voor individuele gemeenten, provincies en waterschappen geen individuele referentiewaarden bepaald.

EMU-saldo, in mln euro's

Rekening
2014

Rekening
2015

Begroting
2016 *

Rekening
2016

Individuele referentiewaarde

-148

-172

nvt

nvt

Berekend EMU-saldo

-32

16

-215

-3

Ruimte (+) / Overschrijding (-)

116

188

nvt

nvt

* Betreft de stand bij Tweede Herziening 2016

Zoals gebruikelijk wijken het begrote EMU-saldo en de uiteindelijke realisatie fors van elkaar af. De voor het EMU-saldo relevante posten die moeilijk zijn te ramen zijn de voorzieningen, investeringen en de aan- en verkopen van de grond. Uit onderstaande tabel blijkt dat de afwijking in 2016 vooral wordt verklaard door een hoger exploitatiesaldo, planningsoptimisme in relatie tot investeringen en de aankoop en verkoop van grond.

EMU-saldo (bedragen x € 1 mln)

Rekening 2014

Rekening 2015

Begroting 2016

Rekening 2016

1. Exploitatiesaldo voor toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves (zie BBV, artikel 17c)

28

68

-154

0

2. Afschrijvingen ten laste van de exploitatie

132

133

133

115

3. Bruto dotaties aan de post voorzieningen ten laste van de exploitatie

50

62

31

41

4. Investeringen in (im)materiële vaste activa die op de balans worden geactiveerd

-236

-135

-283

-159

5. Baten uit bijdragen van andere overheden, de Europese Unie en overigen, die niet op de exploitatie zijn verantwoord en niet al in mindering zijn gebracht bij post 4.

3

7

40

16

6. Baten uit desinvesteringen in (im)materiële activa (tegen verkoopprijs), voor zover niet op exploitatie verantwoord

47

8

6

31

7. Aankoop van grond en de uitgaven aan bouwwoonrijp maken e.d. (alleen transacties met derden die niet op de exploitatie staan)

-48

-60

-91

-30

8. Baten bouwgrondtransacties voor zover transacties niet op exploitatie verantwoord

57

55

147

31

9. Lasten op balanspost Voorzieningen voor zover deze transacties met derden betreffen

-65

-70

-42

-47

10. Lasten i.v.m. transacties met derden, die niet via de onder post 1 genoemde exploitatie lopen, maar rechtstreeks ten laste van de reserves (inclusief fondsen en dergelijke) worden gebracht en die nog niet vallen onder één van bovenstaande posten

0

0

0

0

11. Verkoop van effecten

-51

Kapitaallastenratio

De kapitaallastenratio bestaat uit het totaal van afschrijvings- en rentelasten (van investeringen en schulden) uitgedrukt in een percentage van het begrotingstotaal. Investeringen leiden tot kapitaallasten die gedurende de afschrijvingstermijn van de investering als last op de begroting drukken. Daardoor neemt de flexibiliteit van de begroting af. De afschrijvingstermijn varieert van vijf tot veertig jaar. Er geldt geen wettelijke of andere norm voor deze ratio.

Kapitaallastenratio, in mln euro's

Rekening
2014

Rekening
2015

Begroting
2016 *

Rekening
2016

Rentelasten

62

60

57

56

Afschrijvingen

132

133

133

115

Saldo

194

193

190

171

Totale baten (exclusief mutatie reserves)

3.054

3.294

3.312

3.366

Kapitaallastenratio

6,4%

5,9%

5,7%

5,1%

* Betreft de stand bij Tweede Herziening 2016

De kapitaallastenratio is met name als gevolg van lagere afschrijvingen lager uitgevallen dan voorzien en laat een dalende trend zien.

Kengetal grondexploitatie

Het kengetal grondexploitatie geeft weer hoe de boekwaarde van de grondexploitaties zich verhoudt tot de totale jaarlijkse baten van de gemeente. Daarmee is het een indicator van de mate waarin een verslechtering van de woningmarkt impact zal hebben op de financiële positie van gemeenten. De Provincie Zuid-Holland beschouwt een ratio van meer dan 35% als risicovol.

Grondexploitaties, in mln euro's, balansstanden per ultimo

Rekening
2014

Rekening
2015

Begroting
2016 *

Rekening
2016

Niet in exploitatie genomen bouwgronden

3

9

0

0

Bouwgronden in exploitatie

-160

-157

-208

-142

Saldo

-157

-148

-208

-142

Totale baten (exclusief mutatie reserves)

3.054

3.294

3.312

3.366

Ratio grondexploitaties

-5,2%

-4,5%

-6,3%

-4,2%

* Betreft de stand bij Tweede Herziening 2016

De boekwaarde van de grondexploitaties is hoger uitgevallen dan voorzien en laat een stijgende trend zien. De boekwaarde is niettemin nog steeds negatief. Dat komt doordat de gemeente in het verleden verliezen heeft genomen op de grondexploitaties. Hierdoor is ook het kengetal grondexploitaties negatief. Het kengetal blijft daarmee ver onder de signaalwaarde van de Provincie Zuid-Holland.