Financiering

De Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido) geeft de wettelijke kaders voor de treasuryfunctie van decentrale overheden. Een belangrijk uitgangspunt van de wet is dat een gemeente voorzichtig moet omgaan met publieke middelen. Dit uit zich onder andere in de beheersing van renterisico’s. Hierbij gelden als wettelijke normen de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. Het kan voorkomen dat de gemeente in een bepaalde periode overtollig geld heeft. Als ze dat geld niet uitleent aan medeoverheden en als dat geld meer is dan een drempelbedrag, dan moet de gemeente dat aanhouden in ‘s Rijks schatkist’: ‘verplicht schatkistbankieren’. Ook stelt de Wet Fido strenge eisen aan de kredietwaardigheid van tegenpartijen en de te gebruiken instrumenten. Artikel 212 van de Gemeentewet verplicht de gemeente de gemeentelijke regelgeving voor de financieringsfunctie vast te leggen. Dit heeft de gemeente gedaan in de Verordening financiën 2013, die verder is uitgewerkt in het Treasurystatuut.

Bij de meest recente wijzigingen van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) en de invoering van de vennootschapsbelasting voor de lagere overheden is de toerekening van rente een belangrijk aandachtspunt. De commissie BBV heeft hierbij bepalingen en richtlijnen opgesteld voor de berekening van het interne (omslag)rentepercentage dat wordt toegerekend aan de bouwgronden in exploitatie (BIE). Daarnaast dient na afloop van het jaar nacalculatie plaats te vinden als het berekende omslagpercentage bij realisatie afwijkt van de begroting.